7 – DE HELLINGPROEF MET GEBRUIK VAN DE HANDREM
|
|
STOPPEN OP EEN HELLING |
| |
|
|
WAT (belangrijke stap) |
HOE (kritiek punt) |
MOTIVATIE (waarom) |
|
|
Stoppen op een helling is gelijk aan stoppen op de vlakke weg met dien verstande dat: |
|
|
|
1 |
Koppelingspedaal in getrapt houden (tenzij voor langere tijd wordt gestopt. |
Linkervoet |
Stoppen helling op: Eerder intrappen i.v.m. snel snelheid verlies. Stoppen helling af: Later intrappen i.v.m. hogere snelheid dan helling op. |
|
2 |
De voetrem blijft ingetrapt. |
Rechtervoet, geheel |
Dit voorkomt dat de auto achteruit rolt, voordat de handrem is aangetrokken. |
|
3 |
Handrem erop (afhankelijk van hoe steil de helling is, kan ook zo direct weer weggereden worden zonder handrem) |
Met rechterhand knopje induwen, handrem omhoog, knopje loslaten |
Je zorgt ervoor dat de auto op zijn plaats blijft als de voetrem losgelaten wordt. |
|
4 |
Voetrem los. |
Geleidelijk en controleer of de auto blijft staan. |
De handrem heeft de taak van de voetrem overgenomen. Let wel: de handrem remt 2 wielen af, de voetrem 4. Geef de auto even de tijd om die kracht te verdelen, daarom geleidelijk de rem los. |
|
|
Parkeren de helling op. |
Voorwielen naar links insturen (van trottoir af) |
Voorkomt dat de auto naar achteren rol. |
|
|
Parkeren de helling af. |
Voorwielen naar rechts insturen (naar trottoir toe) |
Voorkomt dat de auto naar voren rolt. |
|
|
WEGRIJDEN OP EEN HELLING |
| |
|
|
WAT (belangrijke stap) |
HOE (kritiek punt) |
MOTIVATIE (waarom) |
|
|
Stoppen |
Zie boven |
|
|
1 |
Koppelingspedaal intrappen |
Vlot en geheel met linkervoet. |
Je maakt de verbinding mogelijk in de versnellingsbak. M.a.w. je kunt nu schakelen. |
|
2 |
Hand naar versnellingspok. |
Rechterhand, vlot. |
Om op het juiste moment in te schakelen. |
|
3 |
Inschakelen. |
In gewenste versnelling. |
1e versnelling. |
|
4 |
Hand naar de handrem. |
Rechterhand. |
Direct na het inschakelen gaat je rechterhand naar de handrem. |
|
5 |
Kijken |
Binnenspiegel, voor, linker buitenspiegel en links naast |
Controleren of je kunt wegrijden zonder daarbij het overige verkeer te hinderen of in gevaar te brengen. |
|
6 |
Koppelingspedaal naar aangrijppunt. |
Geleidelijk. |
Bij het helling rijden is het belangrijk dat het koppelingspedaal iets langer op ’t aangrijppunt blijft om de extra kracht die de motor nodig heeft op te vangen. |
|
7 |
Iets gas geven. |
Geleidelijk met rechtervoet. |
Voor het opvangen van het aangrijpen van de koppelingsplaten. |
|
8 |
Kijken |
Binnenspiegel voor, linkerbuitenspiegel en links naast. |
Na controle. |
|
9 |
Geef richting aan. |
Naar links. |
Kenbaar maken wegrijden. |
|
10 |
Handrem eraf. |
Handrem iets omhoog, dan springt hij van de vergrendeling. |
|
|
11 |
Hand terug naar het stuur. |
Vlot. |
Je neemt weer de ideale positie in met beide handen op het stuur. |
|
12 |
Koppelingspedaal geheel op laten komen. |
Met linkervoet geleidelijk. Als koppelingspedaal geheel is opgekomen, de voet ernaast plaatsen. |
Denk aan slijtage van de koppelingsonderdelen. |
|
13 |
Snelheid aanpassen. |
Aan het overige verkeer |
|
|
|
Noot: De nadruk ligt op een goede bediening van het koppelingspedaal, daar de kracht van de motor zeer geleidelijk overgebracht moet worden. |
|
|