Om een automatisch kijkgedrag te realiseren is het belangrijk onderstaande punten door te lezen om u de kijktechniek tijdens de rijlessen eigen te maken.
Wanneer u uw hoofd niet beweegt ziet u 70 graden door alleen oogbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in:
1. 3 graden scherpe waarneming
2. vanf 8 graden direct waarnemen
3. 70 graden bewust waarnemen
4. 180 graden alleen de bewegingen
Uit het bovenstaande blijkt wel dat een goede kijktechniek essentieel is om niet alleen voldoende te kunnen zien maar ook voldoende te kunnen waarnemen voor het nemen van een juiste beslissing in het verkeer. Die beslissing mag niet strijdig zijn met vier maatschappelijke aspecten: veiligheid (van u en anderen), doorstroming (van het verkeer), milieu (schade aan de auto) en bereikbaarheid (van de weg).
Op uw Persoonlijk Lesplan kunt u lezen waar de zgn. waarnemingscyclus uit bestaat:
· Waarnemen; het zien met de ogen, het bewust worden en begrijpen van wat men ziet
· Voorspellen; het verkeersgedrag van anderen en van onszelf; wat gaat er gebeuren?
· Beoordelen; rekening houden met de veiligheid, de doorstroming van het verkeer, het milieu
· Beslissen; kiezen van de beste mogelijkheid op dat moment
· Handelen; het uitvoeren van de beslissing
Iedereen heeft een persoonlijk waarnemingsvermogen. Een examinator kan niet inschatten wat u waarneemt en let daarom bijzonder goed op uw kijkgedrag, zodat hij tenminste wel kan inschatten wat u ziet.
Het CBR heeft een aantal richtlijnen gegeven die u in ieder geval moet opvolgen tijdens het rijden om tijdens het rijexamen een voldoende te scoren voor het kijkgedrag. De hieronder aangegeven volgorde van kijken is belangrijk:
|
1 |
WEGRIJDEN NA EEN STOP | |
|
1a |
Wegrijden na een stop buiten het verkeer | |
|
|
Vanaf de rechterzijde van de weg, voordat u richting aangeeft en voordat u wegrijdt: |
Binnenspiegel Vooruit kijken Linker buitenspiegel Over de linkerschouder kijken |
|
|
Vanaf de linkerzijde van de weg, voordat u richting aangeeft en voordat u wegrijdt: |
Binnenspiegel Vooruit kijken Over rechterschouder kijken |
|
1b |
Wegrijden na een stop in het verkeer | |
|
|
Bijv. verkeerslichten of een andere stop: tijdens het stilstaan alert blijven op naderend verkeer en naast je voertuig. | |
|
|
Op het moment van wegrijden: |
Binnenspiegel Linkerbuitenspiegel Bij afslaan ook over de schouder |
|
|
Tijdens de snelheid vermeerderen: |
Regelmatig binnen- en buitenspiegel |
|
1c |
Wegrijden vanuit een uitrit | |
|
|
Links en rechts kijken, ook voetpaden en fietspaden. Direct tijdens en nadat je de weg op bent gedraaid binnen- en buitenspiegel om je zien of er ander verkeer achter je nadert. | |
|
2 |
RIJDEN OP RECHTE WEGGEDEELTEN | |
|
|
Regelmatig (1x per 5 seconden) binnenspiegel, regelmatig (1x per 10 seconden) buitenspiegel. Bij het gas loslaten, afremmen en stoppen: binnen- en buitenspiegel | |
|
3 |
RIJDEN EN VOLGEN VAN BOCHTEN | |
|
|
Het kijkgedrag tijdens het volgen van bochten moet zodanig zijn dat tijdig de scherpte van de bocht wordt onderkend, de rijlijn wordt bepaald en de snelheid waarmee wordt gereden aangepast, dit houdt dus in ‘tijdig zien’ zodat ment tijd heeft om ‘waar te nemen’. Dit wordt ook wel genoemd ‘door de bocht kijken’, | |
|
4 |
AFSLAAN (VERANDEREN VAN RICHTING) | |
|
|
Rechts afslaan: |
Binnenspiegel en rechterschouder voordat je richting aangeeft. Vlak voor de bocht nacontrole door nogmaals over de rechterschouder te kijken. Nadat de bocht genomen is weer binnen- en buitenspiegel kijken i.v.m. naderend verkeer. |
|
|
Links afslaan: |
Binnenspiegel, buitenspiegel, linkerschouder voordat je richting aangeeft. Vlak voordat je links afslaat nogmaals buitenspiegel en linkerschouder om te controleren of je niet wordt ingehaald. Nadat de bocht genomen is binnen- buitenspiegel kijken i.v.m. naderend verkeer. |
|
5 |
ROTONDES | |
|
|
Afhankelijk van de richting op de rotonde i.v.m. voorsorteren voor linksaf of rechtsaf kijkt u zoals bij het afslaan (punt 4). In ieder geval altijd kijken in de binnenspiegel en over rechterschouder wanneer het plein verlaten wordt. | |
|
6 |
GEDRAG NABIJ EN OP KRUISPUNTEN |
|
|
|
Tijdens het naderen van een kruispunt: Let op aard van het kruispunt (wie heeft er voorrang?) Wordt het ook door ander verkeer genaderd? Let op verkeersborden Let op algehele situatie zoals wegdek, uitzicht en bijzondere omstandigheden. | |
|
7 |
INVOEGEN EN UITVOEGEN |
AUTOWEG/AUTOSNELWEG |
|
|
Invoegen: |
Probeer voordat je de invoegstrook oprijdt al het verkeer op de doorgaande rijbaan te observeren. Is er vrachtverkeer? Hoe hard wordt er gereden? |
|
|
Op de invoegstrook: |
Binnen- en buitenspiegel, binnen- en buitenspiegel. Minimaal 1x herhalen en links naast je kijken. |
|
|
Na het invoegen: |
Binnenspiegel en buitenspiegel i.v.m. van naderend/inhalend verkeer. |
|
|
Uitvoegen: |
Ongeveer 300 meter voor de uitvoegstrook richting aangeven, hierbij binnenspiegel en rechterschouder kijken. |
|
|
Vlak voor het daadwerkelijk uitvoegen: |
Als bij de vluchtstrook de dubbele doorgetrokken lijn begint: binnenspiegel en rechterschouder kijken. |
|
|
Op de uitvoegstrook: |
Binnenspiegel i.v.m. naderend verkeer |
|
8 |
INHALEN EN VOORBIJGAAN |
|
|
|
Links inhalen: |
Naar voren kijken (ruimte tegenliggers) Binnenspiegel, Buitenspiegel, Links naast |
|
|
Terug na het inhalen: |
Binnenspiegel Rechts naast (let op! Niet snijden!) |
|
|
Rechts inhalen: |
Naar voren kijken, Binnenspiegel, Rechterschouder |
|
|
Terug na het inhalen: |
Binnenspiegel, Buitenspiegel, Linkerschouder |
|
|
Links voorbijgaan van obstakels: |
Naar voren kijken i.v.m. tegenliggers binnen- buitenspiegel en links naast. Stel dat u dichtbij het obstakel bent gestopt en u wilt weer wegrijden: Naar voren, rechts naast (fietsers!), binnen- buitenspiegel en links naast (fietsers!) Na het voorbijgaan weer binnen- buitenspiegel i.v.m. naderend verkeer. |
|
9 |
TEGEMOET KOMEN EN INGEHAALD WORDEN | |
|
|
Wanneer er verkeer tegemoet komt of wanneer u wordt ingehaald moet u zoveel als mogelijk uitwijken naar rechts. Voordat u naar rechts uitwijkt: binnenspiegel en rechterschouder kijken. | |
|
10 |
RIJSTROOK WISSELEN EN ANDERE ZIJDELINGSE VERPLAATSINGEN | |
|
|
Bij iedere wisseling van rijstrook en bij iedere zijdelingse verplaatsing, voordat u richting aangeeft: | |
|
|
Naar links: |
Binnen- buitenspiegel en linkerschouder |
|
|
Naar rechts: |
Binnenspiegel en rechterschouder |
|
|
Door het regelmatig gebruik van binnen- en buitenspiegel voorkomt u problemen. | |
|
11 |
NABIJ BIJZONDERE WEGGEDEELTEN | |
|
|
Op erf: |
Snelheid aanpassen en voetgangers (vooral kinderen), fietsers en brommers. |
|
|
Spoorwegovergang: |
Bij het naderen naar links en rechts kijken (lampen, aki’s en spoorwegbomen kunnen stuk gaan!). Nooit een spoorwegovergang oprijden voordat uw voorligger deze is gepasseerd en er voor u ruimte is om na de overgang te kunnen stoppen! |
|
|
Voetgangersoversteekplaats: |
Bij het naderen zowel links als rechts kijken of voetgangers de bedoeling hebben om over te steken. Is dit het geval altijd stoppen en de voetgangers voor laten gaan. |
|
|
Tram/bushalte: |
Let altijd op naderende en uitstappende passagiers. Let vooral op de richtingaanwijzer van de bus binnen de bebouwde kom. Deze gaat altijd voor! |
|
12 |
BIJZONDERE VERRICHTINGEN | |
|
|
Bij het uitvoeren van bijzondere verrichtingen nooit hinderen, in gevaar brengen of schade veroorzaken. Dus regelmatig kijken naar voren, links en rechts en in de spiegels. Vooral Bij (voor) het uitzwaaien van de autoneus over de weg! | |
Wanneer het kijkgedrag juist is, zult u beter kunnen reageren op het verkeer. Dat wil zeggen beter vooruitkijken, vooruitdenken, instellen op het handelen en de handeling ui tvoeren. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. Veel succes!
|
VOOR EEN VLOTTE, VEILIGE VERKEERSDEELNAME, VOL ZELFVERTROUWEN. |